Karel I, koning van Engeland van 1625 tot 1649, zocht een manier om zijn schitterende maar geldverslindende hofhouding te betalen. Hij wilde Frankrijk als culturele natie naar de kroon steken en kocht veel kunst, vooral schilderijen (de Zuid-Nederlander Antoon van Dyck benoemde hij tot hofschilder). Om zijn begroting rond te krijgen werd de tabak door hem zwaar belast en mochten de Engelsen zoveel roken als zij wilden.
Zijn vader Jacobus I (koning van Engeland van 1603 tot 1625) had juist geprobeerd het roken uit te bannen door het in een Latijns geschrift, getiteld Misocapnuc (de rookhater), voor te stellen als een barbaars want Indiaans insluipsel. Het vormde bovendien een gevaar vormde voor de Engelse natie, daar de standvastigheid van de Engelse mannen erdoor achteruit zou gaan. Zijn onderdanen wilden echter niet luisteren en bleven doorgaan met het roken van tabak en zijn zoon maakte dankbaar van de nood een deugd. Op 30 januari 1649 werd hij echter ondankbaar onthoofd in Londen.
