Welke wijsgeer wist door zijn regelmatige levenswandel de klokken van anderen gelijk te zetten?

De Pruisische filosoof Immanuel Kant (1724-1804) had een zwak gestel. Hij was klein van gestalte, ziekelijk en iets vergroeid, doordat zijn ene schouder wat hoger dan zijn andere was. Kant trachtte zijn leven te verlengen door een strakke discipline. Iedere dag stond hij om vijf uur op en gaf van zeven tot negen uur zijn colleges. De tijd van negen tot één uur was voor de eigen studie, gevolgd door een middagmaal. Dit middagmaal diende ter ontspanning en duurde enige uren; er waren bijna altijd gasten, met wie Kant de meest uiteenlopende onderwerpen besprak. Om precies half vier verliet hij zijn huis voor een wandeling, zodat de bewoners van Koningsbergen hun klok erop gelijk konden zetten. Na zijn wandeling ging hij weer aan het werk en stipt om tien uur lag hij in bed. Zodoende werd Kant, ondanks zijn ziekelijkheid, toch nog tachtig jaar oud. Hij stierf zoals hij geleefd had: punctueel. Een getuige vertelt dat toen zijn pols ophield met slaan, de pendule elf uur sloeg.

Terug naar overzicht