Welke martelingen stonden Balthasar Gerards te wachten na zijn daad?

Nadat hij in 1584 Willem de Zwijger had doodgeschoten, onderging Balthasar Gerards de volgende martelingen (´tormenten´). Eerst werd zijn rechterhand met een gloeiend stuk ijzer afgebrand, ‘hetgeen De Markt met rook en kwade reuk vervulde’, zoals P.C. Hooft in Nederlandsche Historiën schrijft. Daarna werden op zes plaatsen grote brandwonden aangebracht. Vervolgens werd hij geradbraakt, dat wil zeggen op een rad vastgebonden en al zijn beenderen kapot geslagen. Tot slot sneden ze hem levend en al het hart uit het lichaam. Zijn lichaam werd vervolgens in vieren gedeeld en zijn hoofd eraf geslagen. De lichaamsresten werden boven de stadspoorten van Delft gehangen en zijn hoofd stak op een piek op de schooltoren achter het huis waar de moord had plaatsgevonden.

Terug naar overzicht