Dat was natuurlijk een uitgebreide verzameling. Maar het volgende rijtje zal de lezer bekend voorkomen: zijde en porselein en soms goud uit China, specerijen en peper uit Zuidoost-Azië, katoenen weefsels uit India, goud en slaven uit Afrika, zilver, huiden, suiker en tabak uit Noord- en Zuid-Amerika, en zilver en koper uit Japan. De Europeanen waren een geval apart: zij verkochten bescherming op de wereldzeeën en fungeerden steeds vaker als tussenpersonen die de goederen van anderen vervoerden.
Tot circa 1750 bleef China het middelpunt van deze wereldhandel. De meeste specerijen en misschien wel tweederde van de wereldwijde zilverproductie ging naar China. De Chinezen hadden dit zilver vooral nodig als betaalmiddel. Toen de Ming tussen 1570 en 1580 één algemene belasting invoerde die in zilver moest worden betaald, zagen veel Chinezen zich zelfs genoodzaakt iets te verkopen om aan zilver te komen. Dat gaf de handel een enorme impuls. Pas in de loop van de achttiende eeuw werd de Atlantische economie een serieuze concurrent van China.
