In de tweede eeuw n.Chr. werd het Romeinse Rijk geplaagd door rampzalige epidemieën, die waarschijnlijk een kwart van de bevolking het leven kostten. Heidenen hadden de gewoonte om in deze tijden het getroffen gebied te ontvluchten en de zieken aan hun lot over te laten. De christenen daarentegen stonden de zieken bij en gaven de doden een ordentelijke begrafenis. Met het eerste redden zij levens (hoewel ook velen stierven), met het tweede perkten zij epidemieën in. Deze beoefening van naastenliefde maakte indruk op de heidenen. Het bewerkte ook dat christenen immuniteit opbouwden tegen bepaalde ziekten, zodat zij zich onaangedaan onder de zieken konden begeven, wat vervolgens voor een wonder werd aangezien. Vele christenen overleefden dus de epidemieën en vele anderen bekeerden zich als gevolg daarvan en als gevolg van de christelijke naastenliefde. Binnen het Romeinse Rijk werd de heidense samenleving daardoor naar de achtergrond gedrongen, waarmee een nieuw tijdperk in de wereldgeschiedenis werd ingeluid.
