Dat had veel te maken met het feit dat de Parthen (247 v.Chr. tot 224 n.Chr.) en later de Sassaniden (226-651) in Iran een manier hadden gevonden om zich te beschermen tegen de plunderende nomadenvolken uit het noorden. De soldaten rustten zichzelf uit met voldoende bepantsering om onkwetsbaar te zijn voor vijandige pijlen. Ze konden de aanvallers daardoor snel en gemakkelijk met hun eigen pijlen en bogen uitschakelen. De plunderende steppevolken zagen zich genoodzaakt uit te wijken naar de minder goed verdedigde grenzen van het China van Han-dynastie (202 v.Chr. tot 220 n.Chr.) in het oosten en van het Romeinse Rijk in het westen. Een kettingreactie ontstond waarbij het ene steppevolk het andere op de vlucht deed slaan en de verslagenen op hun vlucht weer een volgend volk verdreven. Dit verklaart de lange reeks nieuwkomers die tussen 200 en 1000 in Oost-Europa arriveerden. De Hunnen, Avaren, Bulgaren, Khazaren, Petsjenegen en Magyaren die plunderend Europa binnentrokken, waren in feite vluchtelingen die vanuit het oosten werden opgedreven door andere nomadenvolken.
