De Germaanse volkeren leefden in dorpen bij elkaar. In tijden van oorlog werden er legers gevormd uit de bevolking van deze dorpen, zodat zo´n eenheid bijna altijd uit familieleden bestond. Hoewel minder gedisciplineerd, streden de Germanen daarom veel fanatieker dan bijvoorbeeld de Romeinen met hun beroepsleger. Vluchten in een gevecht was een grote schande voor een Germaan, daar hij dan zijn eigen familie in de steek liet. Karel de Grote (768-814) was de eerste Germaan die een beroepsleger organiseerde. Deze ridders legden een eed van trouw af aan de koning en kregen een stuk land te leen, zodat de boeren die daarop werkten hun van eten en drinken konden voorzien. Zo ontstond het feodale stelsel: de ridder vocht voor iedereen, de boer werkte voor iedereen en de priester bad voor iedereen. In het begin was het ridderschap niet erfelijk, maar later wel. Dit leidde tot bloedige familieconflicten. Neven en ooms die om de positie van een rijke maar kinderloze broer en oom vochten. Zelfs zonen die met elkaar en hun vader oorlog voerden om de troon van een land. Wat eens de kracht van de Germaanse cultuur was, de familieband, werd in de latere middeleeuwen een bron van veel ellende en verdriet.
