Toen de Akkadiërs en later de Guti, Amorieten, Hittieten en Assyriërs de Soemerische steden veroverden, namen zij meer van de Soemeriërs over dan dat zij aan hen oplegden. Wat hadden de Soemeriërs dat de anderen niet hadden? Allereerst legitimeerden zij het leidersgezag van de koning door hem te vergoddelijken. Dat namen de andere koningen graag over. Ook bezaten de Soemeriërs allerlei methoden om de goden te doorgronden en gunstig te stemmen. Daar was onder de volken niet minder behoefte aan. Bovendien hadden de Soemeriërs een geschreven wet, waardoor wraak en willekeur enigszins werd ingedamd. En niet in de laatste plaatsen beschikten zij over een ambtenarenapparaat (voornamelijk bestaande uit priesters) waarmee zij over een groot gebied en verschillende volken konden heersen. Geen rijk kon zonder! Ambtenaren moesten onder meer het voedsel verdelen onder de stadsbewoners. Dat vereiste zowel een boekhouding als een zorgvuldige planning. Voor het eerste was het spijkerschrift ontwikkeld, voor het tweede beschikte men over een kalender en wiskunde. Allemaal zaken waarvan de andere volken slechts konden profiteren.
