Toen de Azteken in de dertiende eeuw bij het Texcocomeer in Mexico aankwamen, waren de oevers al dichtbevolkt. Geen van de volken was bereid om land aan de nieuwkomers af te staan. Het enige dat de Azteken nog ter beschikking stond, was een dunbevolkt moerassig gebied. In 1325 lukte het de Azteken om in dit gebied een drassig eilandje voor bewoning geschikt te maken door dammen, kanalen en bruggen te bouwen. Ze noemden deze plaats Tenochtitlan. De stad werd ten dele op palen verder het meer in gebouwd en was met drie dammen aan het vasteland gekoppeld. Alle wegen kwamen bij de hoofdtempel bijeen, die aan Huitzlipochtli (de zonnegod) en Tlaloc (de regengod) was gewijd. Tenochtitlan groeide uit tot een machtige hoofdstad door samen met de steden Tlatelolco en Tacuba andere volken te onderwerpen en schatplichtig te maken. In de jaren 1519-1521 werd de stad, die op dat moment misschien wel een kwart miljoen inwoners telde, door de Spaanse avonturier Hernán Cortés veroverd en verwoest. Op de puinhopen werd Mexico-stad gebouwd. Op de plaats van de tempel staat nu de veel kleinere kathedraal.
