Hoe vaak bij opa en oma langs

In het dorp waar ik ben opgegroeid, woonden de ouders van mijn vader dichtbij. Vroeger zag ik hen vaak: in de kerk, bij boodschappen of als ze oppasten. Mijn andere grootouders woonden verder weg; mijn opa is overleden, mijn oma komt nog regelmatig langs. Nu ik ouder ben en niet meer thuis woon, zie ik mijn grootouders minder vaak. Ze worden ouder en laten merken dat ze me missen, waardoor ik me extra verantwoordelijk voel. Ik probeer zo vaak mogelijk langs te gaan, maar vooral bij mijn oma verder weg schiet het soms erbij in. Hoe vaak is vaak genoeg? KLEINDOCHTER (22)

Jarenlang ging ik regelmatig op bezoek bij de enige grootouder die toen nog leefde. Dat was geen straf, want mijn opa was een charismatisch man met een heldere geest en een interesse voor de wereld om hem heen. Tegelijk kon hij niet altijd meer begrip opbrengen voor nieuwe ontwikkelingen op kerkelijk, politiek, en ander vlak. Hij verlangde regelmatig terug naar het goede dat het verleden hem had geboden en naar de mensen die hem ontvallen waren. Geleidelijk ontdekte ik wat de waarde was van mijn bezoeken. Graag leg ik je een paar gedachten voor.

Krimpende wereld

Eerst iets heel basaals: hoe ouder mensen worden, hoe minder zij zich verplaatsen, hoe kleiner hun wereldje wordt, en hoe groter ieder voorval in dat wereldje. Zelfs een bescheiden ongemak kan dan uitgroeien tot een ingrijpende gebeurtenis, en bij ieder bezoek kan het voelen alsof een burger van een veel groter land de kamer heeft betreden. Grootouderbezoeken gaan dan ook al snel over twee thema’s: ouderdomsongemakken en het laatste nieuws dat jij te brengen hebt – waarbij het sterk van de opa of oma afhangt hoeveel tijd aan het eerste wordt besteed.

Maar nu wordt het interessant. Want wat gebeurde er als ik het laatste nieuws met mijn opa deelde (rond de 90 jaar oud): dan reageerde hij daarop vanuit zijn eigen kleine wereldje, dat grotendeels uit herinneringen bestond. Oude inzichten werden uit de kast gehaald om nieuwe feiten te beoordelen. Op dit punt had ik twee opties: of ik begon in hem een verkalkte geest te zien, net zo stroef als zijn gewrichten; of ik begon in hem een vat vol oude gedachten te zien die het misschien wel verdienden om opnieuw gedacht te worden.

Ik besloot het laatste te doen en geleidelijk besefte ik dat er een groot voordeel kleeft aan de oude dag: al het grootse en meeslepende in het leven is weggevallen, waardoor men juist kan terugvallen op dat wat in het levensrumoer gemakkelijk wordt overschreeuwd. De een valt terug op het ‘oude geloof’, de ander op ‘oude wijsheden’, nog een ander op ‘oude tradities’. Wat het ook is, juist op de oude dag kan men schatbewaarder van het verleden zijn. Juist dan kan men anderen helpen om in het geraas van alledag dat vast te houden wat blijvende waarde heeft. Een groot filosofisch vernuft is daarvoor niet nodig. Delen wat je hebt – wat je na al die decennia nog altijd meedraagt in je hart – is voor een grootouder ruim voldoende.

Samen wijzer

Mijn voorstel is dat je jezelf een andere vraag stelt dan hoe vaak een kleinkind opa’s en oma’s moet bezoeken. In plaats daarvan zou ik je willen adviseren de volgende vraag te stellen: steekt het leven misschien zo in elkaar dat ik mijn grootouders nódig heb, en zij mij? Zijn wij misschien op een bepaalde manier voor elkaar gemáákt? Een geslaagde ontmoeting tussen kleinkind en grootouder maakt beiden wijzer. Het helpt de eerste om houvast te vinden en de laatste om juist los te laten. Opa’s en oma’s kunnen hun kleinkinderen helpen om zich niet te verliezen in de drukte van alledag, maar gericht te blijven op dat wat zijn waarde behoudt. Kleinkinderen kunnen met hun levenslust hun grootouders helpen om zich niet te verliezen in ongemak en nostalgie, maar erop te vertrouwen dat alles van blijvende waarde ook in nieuwe vaten zijn weg zal vinden.

Deze Kwestie verscheen in De Nieuwe Koers (maart 2026).

Andere Kwesties