Rond het midden van de zestiende eeuw beschikten enkele Europese legers over redelijk betrouwbare musketten. Rond 1590 ontdekte men hoe doeltreffend het was om musketiers in het gelid te zetten en salvo’s te laten afvuren. Daarmee werd opnieuw – net als bij de intrede van de falanx waarover we het gisteren hadden – de overgang van individuele roem naar collectieve overwinningen in gang gezet. Hollandse bevelhebbers verdiepten zich in de Romeinse legerboeken (die weer terugverwezen naar de Griekse falanx) en ontwierpen rond 1600 gedetailleerde gevechts¬oefeningen die de heldendaden van afzonderlijke ridders voorgoed tot het verleden deden behoren. Alles draaide in de oefeningen om discipline en gelijktijdigheid: marcheren, laden, vuren, herladen, enzovoort. In tien talen verspreidden de boeken zich door Europa. Er werd weer gedrild, net als in de Griekse en Romeinse tijden van weleer. En als er werd gewonnen, won iedereen. Militaire vernieuwingen vormden opnieuw een gunstige voedingsbodem voor de democratie.
